Natura Artis Magistra

RKD STUDIES

1. Geschiedenis van de dierentuin

De eerste openbare dierentuinen in Europa ontstonden aan het einde van de 18e eeuw. Deze kwamen voort uit de menagerieën van vorsten en rijke particulieren, die er genoegen in schepten om in de tuinen van hun paleizen en buitens exotische diersoorten te houden.1 De oudst bekende Europese dierentuin is Tiergarten Schönbrunn. Deze Weense dierentuin ontstond in 1752 uit de menagerie van de Habsburgse monarchie. Het eerste dierenpark met wetenschappelijke en educatieve doelstellingen was de Ménagerie du Jardin des Plantes in Parijs, opgericht in 1794. Vanaf dat moment ontstonden er in heel Europa dierenparken.2 Rijke burgers richtten halverwege de negentiende eeuw dierentuinen op. De eerste dierentuinen hadden net als de menagerieën het karakter van trofeeëngalerijen en rariteitenkabinetten: exotische geschenken, vorstelijke collecties en souvenirs uit verre landen werden bijeengeplaatst in bonte tentoonstellingen.

Door een andere wetenschappelijke benadering wilde men in de dierentuin de wonderen van de natuur en haar rijkdom laten zien door van zoveel mogelijk soorten dieren minstens één exemplaar aan te schaffen. Deze dieren werden in eerste instantie in simpele kooien tentoongesteld.

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw besteedde men ook aandacht aan de vormgeving van de verblijven. Zo werden vele dierenverblijven in exotische stijl gebouwd om de herkomst van de dieren te benadrukken. Soms werden er zelfs verschillende 'primitieven' in traditionele kledij naast de dieren uit hun land getoond. Dergelijke exposities trokken ongekende aantallen toeschouwers.

Natura Artis Magistra
Op 1 mei 1838 werd het Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra (N.A.M.), letterlijk 'de natuur is de leermeesteres van de kunst', opgericht door uitgever en boekhandelaar G.F. Westerman, makelaar J.W.H. Werlemann en horlogemaker J.J. Wijsmuller [3].

De meeste Europese dierentuinen waren in deze periode nog privébezit. Artis wilde echter toegankelijk zijn voor publiek, althans voor welgestelde burgers. Om lid te worden van het Genootschap en daarmee toegang te krijgen tot de dierentuin moest een aanzienlijk bedrag betaald worden. Deze exclusieve zoölogische sociëteit had 'het bevorderen van de kennis der natuurlijke historie op eene aangename en aanschouwelijke wijze' tot doel. Het lidmaatschap van Artis was een statussymbool voor de gegoede burgerij, die met giften investeerde in de uitbreiding van de dierentuin. Naast financiële steun kreeg de dierentuin ook geregeld levende dieren en parafernalia als dieren op sterk water en etnografica van haar leden.

De sociëteit had ook een brede culturele functie. Naast het houden van exotische dieren, werden tentoonstellingen, concerten en lezingen georganiseerd. De naam van het Amsterdamse Natura Artis Magistra werd al snel, twee jaar na oprichting, in de volksmond afgekort tot 'Artis'.

De dierentuin begon als een tuin met een vijver en een orangerie met een terrein van 60 bij 80 meter op het buiten Middenhof. Het Genootschap bezat aanvankelijk slechts enkele apen, herten en papegaaien, aangevuld met het naturaliakabinet van Reindert Draak.3 In 1839 werd voor 34.000 gulden de hele menagerie van kermisexploitant Cornelis van Aken aangekocht. Deze bestond uit een olifant, leeuwen, een panter, een tijger, een poema, hyena's, ijsberen, bruine beren, een zebra, lama's, een kangoeroe, een gnoe, apen en een Boa constrictor.

Het was de eerste belangrijke aankoop van grote en exotische dieren. Ook vroeg men om donaties en om medewerking van reizigers naar exotische landen, meestal leden van het Genootschap. Nederlandse burgers stuurden schenkingen uit de koloniën, in ruil voor privileges en een erelidmaatschap van Artis. Ook kapiteins die tussen Nederland en de koloniën voeren, werden bereid gevonden om dieren te transporteren en te verzorgen.

In de loop van de negentiende eeuw kocht het allengs groter wordende Genootschap steeds meer percelen aan in de Plantage. Het oude Middenhof werd uitgebreid met de Houtwallen aan beide zijden van de Nieuwe Prinsengracht. Een veerpont verbond beide delen van de dierentuin [5].

In 1877 had Artis een oppervlakte van tien hectare, gelegen tussen de Plantage Kerklaan, de Plantage Middenlaan en de Plantage Doklaan [6].In de dierentuin verrezen het Roofdierengebouw (1859) en het Aquarium (1882), beide het werk van architect G.B. Salm.

Behalve levende dieren bezat de sociëteit ook een verzameling van zogenoemde 'naturaliën', zoals dieren op sterk water, skeletten, een kabinet met opgezette dieren, schelpen, fossielen en gesteenten. De steeds groeiende verzameling naturalia werd tussen 1851 en 1855 ondergebracht in het 'Groote Museum' aan de Plantage Middenlaan, dat al snel te klein werd. De verzamelingen raakten over verschillende locaties in de tuin van Artis verspreid; rond 1900 bezat Artis maar liefst tien musea, waaronder een zeer omvangrijk Ethnografisch Museum (1860) en een bibliotheek (1868). In 1892 volgde de samenvoeging van de zoögische collecties van Artis en die van de Universiteit van Amsterdam.4 In 1947 werd het Groote Museum gesloten en in 1988 verhuisdede zoölogische verzameling naar de depots van de Universiteit van Amsterdam aan de Mauritskade.5

Bezoekers van Artis kwamen naar de dierentuin om te flaneren, om de dieren, het Natuurhistorisch en het Ethnografisch Museum te bezoeken en om concerten bij te wonen, uitgevoerd door bekende orkesten. De dierentuin bevorderde ook wetenschappelijk onderzoek, wat resulteerde in lezingen en publicaties op natuurhistorisch gebied. Artis was oprichter en uitgever van de eerste Nederlandse zoölogische tijdschriften: Bijdragen tot de dierkunde (1848) en Nederlandsch tijdschrift voor de dierkunde (1863). Zo werd Artis al gauw een belangrijk cultureel en wetenschappelijk centrum in Amsterdam.

Vanaf 1851 was het ook voor niet-leden mogelijk om de dierentuin te bezoeken op voordracht van een lid en uitsluitend op enkele dagen in de maand september. Aan het eind van de negentiende eeuw ging het minder goed met Artis: andere culturele instellingen, zoals het Concertgebouw, musea en academies, namen de culturele rol over. Om te overleven zag de dierentuin zich genoodzaakt een breder publiek toe te laten, zodat er nieuwe gelden binnen kwamen. Ook werd het wetenschappelijk onderzoek van Artis overgenomen door de universiteiten. Hierdoor veranderde het karakter van Artis voorgoed.

1
Anoniem Great Britain 1835
London Zoo, Het Kamelenhuis, 1835, 1835
Londen (Engeland), Museum of London

2
Willem Hekking (II)
De eerste toegangspoort van Artis, tussen de Nieuwe Prinsengracht en de Middenlaan., ca. 1845
Private collection

3
E.A. Tilly
De drie oprichters van Artis, J.J. Wijsmuller, G.F. Westerman en J.W.H. Werlemann, 1888
Amsterdam, Stadsarchief Amsterdam

4
Paul Meyerheim
De menagerie van Herman van Aken, 1864 gedateerd
Whereabouts unknown

5
Willem Hekking (II)
Het pontje over de Prinsengracht, ca. 1843
Private collection

6
Anoniem Netherlands 1870
De grondvlakte van Natura Artis Magistra bij hare uitbreidingen 1838-1870, 1870
Amsterdam, Natura Artis Magistra


Notes

1 Het houden van exotische dieren is iets wat zich al sinds de oudheid in velerlei culturen voordeed. In de begintijd waren dergelijke verzamelingen vooral uitingen van de macht en roem van belangrijke personen en hun territoria, terwijl ze tijdens de Griekse beschaving ook een wetenschappelijke functie begonnen te vervullen, een functie die tijdens de Verlichting zou terugkeren. In de lange tussenliggende periode dienden menagerieën, naast het tonen van status, vooral voor vermaak en vertier. In de negentiende eeuw werden de aristocratische menagerieën vervangen door de moderne dierentuinen, die wetenschappelijk en educatief gericht waren. De term menagerie heeft ook betrekking op reizende gezelschappen, die wilde dieren tentoonstelden in Europa en Amerika.

2 Tiergarten Schönbrunn, Wenen (1752); La ménagerie du Jardin des Plantes, Parijs (1794); London Zoo (1828); Dublin Zoo (1830).

3 Reindert Draak (1786-1866) was suppoost op het Burgerweeshuis en preparateur van dieren. Hij had een grote collectie opgezette dieren en dieren op sterk water op de zolder van het Burgerweeshuis. Na plaatsgebrek kon Draak, in de zomer van 1837, dus nog voor de oprichting van Natura Artis Magistra, zijn collectie tentoonstellen in de Nieuwe Stadsherberg aan de Plantage Middenlaan. De heer G.F. Westerman huurde deze ruimte en zo ontstond het eerste bescheiden Zoölogisch Museum, dat door publiek tegen betaling kon worden bezichtigd. Nadat Westerman toestemming kreeg voor het oprichten van Natura Artis Magistra in 1838 werd in de tuin van het buiten Middenhof een houten loodsgebouw waarin de collectie Draak kon worden ondergebracht. Als tegenprestatie voor het schenken van zijn collectie werd Draak in 1838 benoemd tot directeur voor het leven. Na problemen tussen Draak en het bestuur van Natura Artis Magistra werd deze verbintenis in 1840 verbroken.

4 In 1939 werd de Gemeente Amsterdam eigenaar van de grond, de gebouwen en de daarin aanwezige collecties; de levende dieren bleven eigendom van Artis.

5 In 2012 verhuisde de gehele collectie naar Naturalis in Leiden. Een klein deel zal in de toekomst te zien zijn in het Groote Museum, het eerste en imposantste gebouw van Artis.