Natura Artis Magistra

RKD STUDIES

F. Musea in Artis

Natura Artis Magistra had al vanaf het begin een 'museum' met opgezette dieren. Men besloot in oktober 1838, dus vijf maanden na oprichting van de NAM een houten loods te bouwen 1. Een dergelijk bouwwerk leek noodzakelijk om de collectie van de Artis-oprichter G.F. Westerman te huisvesten. De collectie groeide door schenkingen van leden snel. Tussen 1850-1855 werd in het Hoofdgebouw het Groote Museum werd gerealiseerd, waar deze collectie naar toe verhuisde. De verzameling werd in de loop der jaren zo groot dat het ook niet meer in het Groote Museum paste en de verschillende collecties in andere gebouwen in de dierentuin werden onder gebracht. Rond 1900 bezat de dierentuin maar liefst 10 musea. Vanwege grote financiële problemen werden in 1939 alle collecties van Artis, behalve de levende dieren, overgedragen aan de Universiteit van Amsterdam.

Het Groote Museum
De bouw van het Groote Museum was in 1850 begonnen en was in 1855 eindelijk klaar. Het was met recht een groots museum. In dit museum wilde men de wereld in het klein laten zien. De collectie bestond uit opgezette dieren, dieren op sterk water, mineralen, fossielen en insecten. Alles netjes ingedeeld naar bijgewerkte versies van het Linnaeussysteem. In de hoge middenhal stonden grote opgezette dieren als olifanten, giraffen en hoefdieren opgesteld en, aan het plafond hingen de skeletten van walvissen en dolfijnen. Daarnaast bevatte de collectie ook boeken en ethnografica. De verzameling werd zo groot dat het niet meer in het gebouw paste en de verschillende deelcollecties in andere gebouwen in de dierentuin werden onder gebracht. In 1950 waren de galerijen van het Groote Museum in zo’n slechte staat dat het museum gesloten moest worden. In 1988 werden de laatste objecten uit het museum naar de depots van de UvA gebracht.

Etnografisch Museum
De studie van ‘vreemde volkeren’ hoorde destijds bij de studie van de natuur. De Schepping bestond volgens Linnaeus uit een ladder van laag naar hoog waar de mens bovenaan stond. Daarom kon men dieren houden, maar ook de objecten van de mens verzamelen. De mens maakte immers deel uit van de Schepping. De etnografica werden in grote aantallen geschonken en in 1861 werden ze in het pas verworven gebouw Amicitia geplaatst, dat het eerste Etnografisch Museum van Artis werd. De collectie groeide zo snel dat de, in 1863 aangekochte, Rijstpelmolen Java & Carolina, gebruikt als stallen voor runderen en roofvogels, in 1888 werd omgebouwd tot een Nieuwe Etnografisch Museum: de Volharding. In 1921 verhuisde de etnografische collectie (ruim 10 000 voorwerpen) van Artis naar het toenmalig Koloniaal Instituut, nu het Tropenmuseum.

Bibliotheek
De bibliotheek uit 1868 werd ook tot de musea van Artis gerekend vanwege de zeldzame plaatwerken. De vele boeken waren ook voor de wetenschap bedoeld. De meeste boeken waren namelijk zo kostbaar dat ze voor gewone wetenschappers niet betaalbaar waren.

Insectenmuseum
Sinds 1863 bestond er al een afzonderlijk Insectenmuseum in de oude bibliotheek van Artis uit 1859. Dit werd gedaan omdat de collectie ontzettend groot was geworden door schenkingen, aankoop en ruil. Met de opening van de nieuwe bibliotheek in 1868 verhuisde de opgezette insecten mee. Deze collectie bleef zo hard groeien dat er nauwelijks tijd was om de aanwinsten netjes geclassificeerd op te bergen.

Japans Museum
Het Etnografisch museum uit 1861 groeide zo hard dat in 1876 besloten werd tot een apart Japans museum in de Artisbibliotheek. De collectie Japonica was dus groot genoeg om zijn eigen museum te krijgen.

Nederlands Fauna Museum
Naast de bibliotheek werd in 1869 een identiek vormgegeven faunamuseum gebouwd, waar een deel van de collectie zoölogische preparaten en schelpen werd tentoongesteld. Men wilde een zo uitgebreid mogelijk overzicht geven van de Nederlandse natuur. Zo kon men alle vogels, zoogdieren, schelpen en insecten zien. In de grote vlinderkasten kon men diverse vlinders bekijken en er waren ook vele kleine diorama’s te zien. Vooral vogelscènes gemaakt door de preparateur P.L. Steenhuizen.

Museum voor Skeletten
De Skelettenverzameling was in het Nijlpaardengebouw (1868) gehuisvest. Hierin trof men delen aan van de collectie van de Amsterdamse hoogleraar Willem Vrolik. Zijn collectie was na zijn overlijden door Artis gekocht in 1864. Een deel collectie werd aan het Amsterdamse hogeschool Athenaeum Illustre afgestaan voor onderwijs. Vroliks skeletten vormden samen met skeletten van dieren uit de tuin en schenkingen een grote collectie. Deze was voor de gewone bezoeker misschien niet zo interessant. Maar voor de wetenschap was deze skelettenverzameling wél heel belangrijk en waardevol.

Museum voor Slangen, Vissen, enz.
Dit museum bevond zich in drie zalen van het Aquariumgebouw. Voor de opening van dit gebouw in 1882 hadden de slangen en vissen altijd bij elkaar in flessen op spiritus gestaan. Nu was er eindelijk plek om ze allemaal een afzonderlijke fles te geven met een wetenschappelijk naamkaartje erbij. In de eerste zaal waren de vissen systematisch op volgorde gerangschikt te vinden in kasten. In de tweede zaal waren de kruipende dieren als slangen en hagedissen systematische volgorde in kasten gezet. De derde zaal ten slotte werd geheel met koralen gevuld.


Notes

1 Zie Piet Smit, ‘Artis, een Amsterdamse tuin’, 1988.